Expeditie Robinson 2009. Eenentwintig mensen op een bounty-eiland, dag en nacht gevolgd door camera’s, die hen bespieden, registreren hoe ze omgaan met honger, spanning, en elkaar.
De deelnemers zijn veelal dertigers, thuis hebben ze een geliefde, kinderen en een schijnbaar mooie baan: consultant, adviseur of projectmanager. Na vijf weken zonder eten hebben ze hun kinderen gemist, en zijn ze gelukkiger dan ooit. Blij dat het avontuur voorbij is, willen ze terug naar de tweezitsbank, de elektrische open haard. Welk stofje in je hersenen zou hiervoor verantwoordelijk zijn?
Marcel Vandezande, volgens eigen zegge ex-mijnwerker, viel direct op. Hij was geen dertiger, had geen heimwee, geen tweezitsbank die thuis op hem wachtte, hij leek evenzeer op het eiland te passen als waar dan ook. Van Marcel zagen we geen huilbuien, geen plotseling besef van geluk. Hij hield zich op de vlakte, speelde zijn spel, en deed dat goed. In de loop van de expeditie ontpopte hij zich tot de grote strateeg, misleidde vriend en vijand met gesimuleerd onnozel gedrag.
Via internet verdiepte ik me in zijn verleden: ook daar: ‘ex-mijnwerker’ en ‘gepensioneerd op een leeftijd waarop sommigen nog met werken moeten beginnen.’ ‘Geëmigreerd naar de zon.’ Maar welke ex-mijnwerker woont riant op Gran Canaria? Was het soms goud dat hij had gedolven, geen kolen? Er zat een luchtje aan.
‘Wie is Marcel en haalt hij de finale?’ vroeg ik hem via email, op zoek naar het ware verhaal. Hij antwoordde vrijwel direct. In de eerst zin benadrukte hij de zwijgplicht die het programma hem had opgelegd, de tweede alinea vermeldde dat hij de hele wereld had gezien, maar nog nooit in Amsterdam was geweest. Hij eindigde met wat later zijn levensfilosofie bleek, een zin die hij nog vaak zou herhalen: ‘veel mensen denken dat er van alles moet.’
Ik schreef terug dat hij natuurlijk welkom was om langs te komen, terwijl ik dacht: Vier uur vliegen? Vanuit Gran Canaria? Om even te babbelen? Een ex-mijnwerker?
Ineens stond hij voor mijn deur. Tien jaar jonger dan op tv. Stoer, gebruind, en een blik in zijn ogen zo levendig als ik zelden zag.
Verhaaltechnisch hebben de dagen met Marcel mij niet veel wijzer gemaakt. Tja, terwijl we door regenachtig Amsterdam liepen, van kroeg tot kroeg, vertelde hij wat smeuïge details over de crew van Robinson. En hoe het echt is op zo’n eiland, wat er wel en niet waar is van de beelden die je ziet op tv, marginale feitjes, die ik ook nog eens niet mag onthullen vanwege problemen met contracten. Tussen de anekdotes door speelde hij voortdurend met een dikke gouden ring om zijn duim. Ik zei: ‘dure sieraden, een passie voor jongere vrouwen, wereldreiziger. dat kan je toch niet allemaal betalen van die mogelijke Robinsonprijs?’ –want of hij zou winnen of niet, ook dat hield hij zorgvuldig geheim.- Hij reageerde met een warme glimlach.
Over zijn verleden, de steenkoolmijnen, vermeldde hij gedurende het ‘ganse’ bezoek zo mogelijk nog minder. ‘Ze zitten diep onder de grond, en ze zijn op een gegeven moment gesloten’, was alles wat hij zei, met een onweerstaanbaar zacht Belgisch accent, terwijl hij zich voorzichtig naar me toe boog.
Het leek me dat een waar gebeurd verhaal zich op dat moment niet zou gaan onthullen.
Vanochtend kusten we gedag.
‘Komt ge een keer langs? Ge kunt daarginder ook schrijven. En de zon schijnt.’
(wordt snel vervolgd, zie ook de finale van expeditie Robinson op 3 dec en eventuele aansluitende programma's)